Bron: De Telegraag; Column Pieter van den Hoogenband
Hopen voor Joost
Vorige week werd de internationale zwemwereld opgeschrikt door de plotseling dood van Alexander Dale-Oen. De Noorse schoolslagspecialist, hard op weg naar Olympisch goud in Londen, was een graag geziene gast bij de Swim Cups in Amsterdam en Eindhoven. Een echte goedzak, een allemansvriend, maar ook eigenwijs en vastberaden. Dale-Oen was net als de meeste andere topzwemmers fel tegen de invoering van de zwempakken van polytheraan, maar als een van de weinigen weigerde hij er – bij wijze van protest – ook in te zwemmen. Vorig jaar op het eerste ‘napakse’ WK won hij goud op de 100 meter schoolslag, een dag nadat Anders Breivik in zijn vaderland een bloedbad had aangericht. Toen ik hem na afloop van de race namens Eurosport om commentaar vroeg, zei hij met betraande ogen: ‘Ik zwom met heel mijn hart!’ Alexander had een groot en goed hart, dat vooral open stond voor anderen, maar hem helaas zelf in de steek heeft gelaten. R.I.P. Alexander.
Ook de Nederlandse topzwemmer Joost Reijns lag op koers voor Londen, toen hij door het noodlot werd getroffen. Na de EK zwemmen korte baan, in december in Polen, kwam er een bericht naar buiten dat er bij een dopingcontrole ‘afwijkende waarden waren gevonden in de urine van een Nederlandse zwemmer’. Al snel bleek dat het om Joost Reijns ging, zo’n beetje de laatste sporter op aarde die ik met doping zou associëren. Het was gelukkig ook niet zo. Maar al snel kon door het woord ‘gelukkig’ een streep, toen bleek dat de afwijkende waarden duidden op teelbalkanker.
Vanaf dat moment was het grote doel in het leven van Joost niet meer Londen halen, maar weer gezond worden. Toen ik kort na de onheilstijding aan zijn ziekenhuisbed stond, haalden we herinneringen op aan gezamenlijke trainingskampen. Joost begon over een training in Zuid-Afrika, in de aanloop naar de Spelen van Peking, waar wij met z’n tweeën samen met Maarten van der Weijden als enigen nog in het water lagen, toen het begon te bliksemen. Maarten wilde eruit, maar ik weerhield ‘m ervan onder het mom van ‘hoe groot is de kans dat je van kanker geneest én ook nog eens door de bliksem wordt getroffen?’ Maarten, die gek is op wiskundige formules en kansberekeningen, was overtuigd, bleef in het water en werd later – misschien wel mede dankzij die ene training in Pretoria – Olympisch kampioen op de 10 kilometer. Joost vertelde de anekdote met een lach op zijn gezicht, maar nu lag hij daar nondeju zelf aan een infuus met chemicaliën…
Voor de Spelen van Peking gokte hij nog (verkeerd) op een plaatsje in de estafetteploeg, maar sindsdien ging Joost voor zijn eigen individuele kansen. De finaleplaats op de 200 vrij op het EK in Polen vormde het bewijs dat hij op de goede weg was. De bijbehorende dopingcontrole beschouwt hij nu als zijn ‘grootste prijs’, die misschien wel zijn leven heeft gered. Gisteren kreeg Joost de uitslag van zijn CT-scan te horen. Hij moet nog een keer onder het mes. Ik hoop met heel mijn hart dat hij daarna weer gezond wordt en vervolgens ook weer de stijgende lijn van zijn zwemloopbaan kan oppakken.
Joost zal zelf ook beamen dat de kans klein is, dat hij – als hij geneest – net als Maarten óók Olympisch kampioen zal worden. Maar ik ben ervan overtuigd dat hij, met zijn positieve levenshouding en mentaliteit, straks in Rio erbij is in 2016!
Pieter van den Hoogenband
